Flexibeler werken, maar minder WW-rechten in 2016

op .

Werknemers kunnen in 2016 makkelijker hun werkgever verzoeken om hun werktijden of werkplek aan te passen. Vanaf 1 januari zijn werkgevers verplicht om met goede argumenten op zo’n verzoek te reageren.

Wat betreft WW-rechten gaan werknemers er vanaf dit jaar op achteruit. De opbouw van WW-rechten gaat langzamer en de maximale uitkeringsduur daalt.

Wet flexibel werken
Op grond van de Wet aanpassing arbeidsduur konden werknemers hun werkgever al verzoeken om een wijziging aan te brengen in het aantal uren dat zij moesten werken. De Wet flexibel werken, die in werking is getreden op 1 januari 2016, voegt hier een mogelijkheid aan toe. Wanneer een werknemer zijn of haar werkgever verzoekt om een wijziging aan te brengen in de werktijden en de werkplek, moet deze werkgever hier beargumenteerd op reageren. Een aanpassing van de arbeidsduur of de werktijden mag hij alleen weigeren bij ‘zwaarwegende bedrijfsbelangen’. Een verzoek tot aanpassing van de werkplek moet hij in overweging nemen. Wijst de werkgever zo’n verzoek af, dan moet hij dit overleggen met de werknemer.
 
Rol sociale partners en cao’s
Afspraken over flexibel werken zijn vooral een zaak van individuele werkgevers en werknemers. In sommige sectoren (vooral sectoren waarin overwegend mannen werken) is echter nog een cultuuromslag nodig om dit onderwerp bespreekbaar te maken. Cao-afspraken kunnen hierbij helpen. In 80% van de cao’s wordt flexibel werken genoemd. In slechts 16% van de cao’s worden er concrete afspraken over gemaakt.

Beperking opbouw WW-rechten
Het recht op een WW-uitkering verslechtert in 2016. Tot 1 januari 2016 bouwde een werknemer ieder jaar (waarin hij over ten minste 208 uur loon ontving) een maand WW-uitkeringsrecht op. Vanaf 2016 verloopt die opbouw trager voor werknemers met een arbeidsverleden van meer dan tien jaar. Zij bouwen nog slechts een halve maand WW-uitkeringsrecht op per gewerkt jaar. Vooral voor de wat jongere werknemers is dit nadelig. Zij hebben nog niet zoveel WW-uitkeringsrechten opgebouwd en moeten bij werkloosheid dus sneller een beroep doen op de Participatiewet.  
 
Beperking maximale uitkeringsduur WW
Tot 1 januari 2016 bedroeg de maximale uitkeringsduur van de WW 38 maanden. Vanaf 1 januari 2016 wordt deze maximale uitkeringsduur per kwartaal met een maand verminderd, totdat deze op 1 april 2019 24 maanden bedraagt. Deze wijziging is vooral nadelig voor oudere werknemers met een langdurig arbeidsverleden. Zij bereiken hierdoor sneller de maximale uitkeringsduur. Het zwaarst getroffen worden (oudere) rijksambtenaren. Zij hebben recht op een maximale uitkeringsduur die driemaal zo hoog is als andere werknemers. Tot 1 januari 2016 bedroeg deze uitkeringsduur nog 9,5 jaar. Per 1 januari wordt hun maximale uitkeringsduur per kwartaal echter met drie maanden verminderd, waardoor ze vanaf 1 april 2019 nog maar recht hebben op maximaal zes jaar een uitkering.
 
Rol sociale partners en cao’s
Bovenwettelijke uitkeringsregelingen bij werkloosheid komen tot nu toe vrijwel uitsluitend voor bij de overheid. Dit is een overblijfsel uit de tijd waarin de WW op overheidswerknemers nog niet van toepassing was. Als gevolg van de WW-versobering staan deze bovenwettelijke uitkeringsregelingen onder druk. Aan de andere kant leidt met name de beperking van de maximale uitkeringsduur van de WW naar verwachting tot een behoefte aan bovenwettelijke uitkeringsregelingen in andere sectoren. De sociale partners in deze sectoren kunnen deze regelingen overeenkomen bij een cao.


Bron: www.caop.nl